Deense Dedemsvaartse

Vrolijke blauwe ogen, gevatte opmerkingen en ‘in every inch a lady.’ Dat is Inger Ruys-Abel ten voeten uit. De Hardenbergse van de maand is de vijfennegentig al ruimschoots gepasseerd, maar dat is haar nog niet aan te zien. Afkomstig uit Denemarken was ze een van de eerste ‘allochtonen’ in Dedemsvaart en is in de zevenenzeventig jaar dat ze daar woont, uitstekend geïntegreerd.

Inger Ruys-Abel

Opgegroeid op een grote herenboerderij in het Deense Lellingen, was het de wens van Inger om apotheker te worden. Maar haar vader vond dat ze eerst de huishoudschool maar eens moest doen, dan konden ze daarna wel eens verder kijken. Zover kwam het niet, want nog maar amper van school, ontmoette ze haar grote liefde Theo Ruys en verhuisde voor hem naar het verre Nederland. “Hoe ik hem ontmoette? Dat is een heel verhaal”, vertelt Inger in accentloos Nederlands. “Ik mocht een paar weken uit logeren gaan bij mijn schoolvriendin, de dochter van de consul van Belgisch Kongo. Haar vader woonde in Afrika, maar haar moeder woonde in Brussel. Een verre reis, waarvoor mijn vader alleen toestemming gaf, als ik beloofde daar Frans te gaan leren. Dan was die logeerpartij tenminste toch nog een beetje nuttig.”

Franse les in Dedemsvaart

Eenmaal aangekomen bij de Brusselse familie, bleek dat ze alleen Belgisch spraken, dus moest er iemand worden gezocht die haar Frans kon leren. Gek genoeg kende de familie niemand in België die daarvoor geschikt was, maar hadden ze wel connecties in het Hollandse Dedemsvaart. “Dus wij naar Dedemsvaart. En daar zat ik dan, aan een lange tafel in een gezin met acht kinderen. En al die jongens wilden met me uit”, lacht ze. “Ik besloot met ene Theo mee te gaan. Hij bood me een ritje aan op de brommer naar de Lemelerberg en dat leek me wel wat.” Dat ritje zou de rest van haar leven bepalen. Ze werden verliefd en Theo schreef een keurige brief in het Engels aan de ouders van Inger, waarin hij om haar hand vroeg. “Mijn ouders waren boos en ik moest onmiddellijk naar huis komen. Mijn schoonvader had begrip voor de situatie en bracht ons in zijn glanzende zwarte Mercedes naar Denemarken. Daar stelde hij zichzelf en zijn zoon voor en het was meteen goed. Nog diezelfde middag hielden we een verlovingsreceptie.”

Lellingbo

Kort daarna trouwde het jonge stel, maar niet voordat Theo door zijn vader was benoemd tot directeur van de kwekerij Moerheim. “Dat deed mijn schoonvader omdat hij had gehoord dat je in Denemarken pas kon trouwen als je een titel had. Niet dat dat bij ons in de familie zo belangrijk was, maar het was toch een leuk gebaar van hem.” Eenmaal getrouwd, streken ze neer in de villa Lellingbo, naast de kwekerij. De villa stond er allang, maar de naam werd door Inger bedacht. ‘Lelling’, naar haar geboorteplaats Lellingen en ‘bo’ is het Deense woord voor huis. Volgens Inger was het een gezellige boel aan de Moerheimstraat. “Wij woonden in Lellingbo, mijn schoonouders op het Arriërend en een oom van mijn man weer een huis verder. Ik had dus altijd gezelschap in de buurt.”

Strenge scheiding

Het wonen in Dedemsvaart was wel even wennen voor de jonge bruid. “Het was een klein dorpje. De Moerheimstraat, de Julianastraat, de Markt en de Lange Wijk waren er, maar verder was het heel landelijk. Ik was de eerste buitenlander hier en sprak alleen Engels. Nederlands leerde ik bij mijn schoonfamilie, maar ik had ook Nederlandse les in Zwolle, van iemand die familie had in Denemarken. Ik had niet veel moeite met de taal. Het Deens heeft wel iets weg van Fries, dus veel woorden waren goed te herkennen”, vertelt ze. “Wat ik wel bijzonder vond, was de strenge scheiding tussen mensen van verschillende godsdiensten. In Denemarken is iedereen Luthers, met uitzondering van een heel klein groepje katholieken. Maar in Dedemsvaart had je behalve katholieken, ook gereformeerden en hervormden. Mijn schoonfamilie was hervormd en ik mocht beslist niets in de gereformeerde winkels kopen, om van de katholieken nog maar niet te spreken. Ik vond het eerst erg vreemd, maar wende er snel aan.”

Inwonend

Ook het huishouden was even wennen. Al had ze de huishoudschool afgerond en thuis enige ervaring opgedaan met het voeren van een huishouding, de familie Abel bezat een stoet aan inwonend personeel. “In Dedemsvaart moest ik zelf veel doen en gelukkig hadden we een inwonende hulp. Kan je nagaan, dat meisje was nog maar veertien jaar toen ze hier kwam. Ze heette Tonnie Waals en is hier jaren en jaren geweest. Ik heb het erg fijn met haar gehad. Koken deed ze niet, dat deed ikzelf. Tonnie at dan in de keuken, eerst alleen en later toen ze verloofd was, mocht haar verloofde komen eten. Dat was een mooie tijd.”

Dubbeltalig

Bewoonde het stel aanvankelijk alleen de benedenverdieping van Lellingbo, toen de kinderen kwamen, werd ook de bovenverdieping in gebruik genomen. Van de kwekerij hield Inger zich verre. “Ik had helemaal niets met plantjes. Maar mijn man ging ook veel op reis. Als hij in Scandinavië moest zijn, ging ik met de kinderen naar Denemarken en haalde hij ons op de terugweg weer op. Op die manier hebben de kinderen spelenderwijs Deens en Nederlands leren spreken en zag ik mijn moeder regelmatig. Zij vond het vreselijk dat ik in het verre Holland zat, maar ja, de liefde hè…”

Dikke postbode

Toen het oorlog werd, kon Inger niet machteloos toekijken en nam op haar manier deel aan het verzet. “Dan kwam er een hele dikke postbode aan de deur, die broodmager weer wegging. Vervolgens ging ik heel dik op pad, om na een bezoekje aan een kantoor op mijn beurt weer slank te vertrekken. Het gewicht bestond uit bonkaarten, die via het verzet werden uitgedeeld aan mensen die onderduikers in huis hadden.” Ook de familie Ruys zelf bood onderdak aan een Joodse familie en een stakende arbeider. Dat ging een tijdlang goed, tot Lellingbo werd gevorderd door de Duitsers. “Dat was echt niet leuk”, herinnert ze zich. “De joden woonden op de zolder, wij op de bovenverdieping en de Duitsers beneden. Zij sliepen op veldbedden in onze woonkamer. Gelukkig mocht ik wel gebruik maken van de keuken, anders had ik niet eens kunnen koken, maar het was vreselijk. Vooral voor de joden. Die zijn zeker twee jaar niet buiten geweest.” Toen het eindelijk vrede was, sprongen de onderduikers vol enthousiasme op een Amerikaanse legertruc, op weg naar Den Haag. “Ik heb nooit meer iets van ze gehoord, behalve toen de man promoveerde. Maar daarna nooit meer, dat vind ik nog steeds gek.”

Vriendenkring

Dankzij haar opgeruimde aard en haar schoonfamilie burgerde Inger snel in. “Ik heb me hier nooit een buitenstaander gevoeld. We gingen om met de tandarts, de artsen, de burgemeester, de notaris en de dominees. Daar hadden we een hele fijne vriendenkring mee. Eenmaal per maand kwamen we bij elkaar. Dan hield er iemand een voordracht of vertelde over zijn werk. Dat was altijd erg gezellig. Inmiddels is iedereen overleden. Ik vind het heel jammer, dat er bijna niemand meer is van mijn leeftijd in leven is. Maar gelukkig heb ik nog steeds een aantal goede vrienden, waarmee ik veel bridge. Zij zijn alleen een stuk jonger dan ik.”

Vrouwenbond

Naast haar gezin en vriendenkring, was Inger ook actief in de samenleving. Op verzoek van iemand uit Amsterdam “ik weet niet meer wie”, zette ze een Dedemsvaartse afdeling van de NCVB op. “We zijn begonnen met mevrouw Bonsius, juffrouw Krabbe en juffrouw Zweers en nodigden een twintigtal vrouwen uit. Hervormd èn gereformeerd. Dat was voor die tijd heel geweldig, maar het ging prima en we hadden nooit ruzie. Er bleek echt behoefte te zijn aan een dergelijke vereniging, want in Dedemsvaart was toen nog helemaal niets. We organiseerden van alles, we hielden lezingen of vertelden eigen verhalen. De groep groeide al snel uit tot zo’n honderd leden en bestaat nog steeds.” Ze lacht. “Dit jaar zelfs al zeventig jaar. Want ik heb de eerste bijeenkomst geopend toen ik zeven maanden zwanger was van mijn tweede kind en zij wordt deze maand zeventig.”

Herindeling

Naast de NCVB was Inger actief binnen het Nederlands Bijbelgenootschap, nam zitting in de woningbouwcommissie en is nog steeds een gewaardeerd Innerwheel-lid. “En natuurlijk de kerk. Daar kom ik nog iedere zondag. Ik ga erheen op mijn scootmobiel en als ik er een keertje niet ben, belt mijn buurvrouw.” Inger kijkt terug op een gelukkig leven. “Ik heb nooit spijt gehad van mijn vertrek naar Nederland. Ik ben Nederlander geworden zodra ik hier kwam wonen en burgerde snel in. Maar een ding wil ik toch nog even kwijt”, zegt ze quasi streng. “Toen ik hier kwam wonen was Dedemsvaart een gezellige klein plaatsje met een eigen burgemeester en een eigen gemeentebestuur. Het zal wel ergens goed voor zijn, maar persoonlijk heb ik nooit aan die herindeling kunnen wennen.”

Op het balkon van haar huidige woning